Goed voeren voor een optimale start
In dit artikel:
Voeren voor merrie en veulen begint al tijdens de dracht; voeding moet zijn afgestemd op de specifieke behoefte van een drachtige en lacterende merrie, benadrukken nutritionist Wendy Warmerdam en verkoopleider Eise Brinkman van AR Paard. In de laatste weken van de dracht wordt de hoeveelheid krachtvoer iets verhoogd, maar niet te veel om een zware bevalling te voorkomen. Na de geboorte mag de merriebrok verder worden opgevoerd omdat de merrie moet herstellen en melk moet produceren, zeker als ze snel weer geïnsemineerd wordt.
Ruwvoer vormt altijd de basis van het rantsoen en de hoeveelheid krachtvoer moet worden aangepast op grond van een analyse van het ruwvoer. Voor veulens is de structuur van het hooi belangrijk: zacht hooi is makkelijker te kauwen en bevordert speekselaanmaak, wat het risico op maagzweren tijdens het afspenen vermindert. Brinkman adviseert hooi en ruwvoer te laten analyseren (bijv. via Paardenvoer.nl) om gericht bij te sturen.
Een veulen wennen aan eigen krachtvoer is aan te raden: veulenbrok is geconcentreerder dan merriebrok en bevat onder meer extra vitamine D voor een goede calcium‑fosforbalans. Omdat een veulen niet zoveel merriebrok kan verwerken, is apart voeren in een bakje waar de merrie niet bij kan praktisch en leerzaam. Als vuistregel wordt een theoretische hoeveelheid genoemd van circa 0,5 kg veulenbrok per maand leeftijd per dag, maar de exacte hoeveelheid hangt sterk af van het ruwvoer; bij veulens die naar de veiling gaan of geschoren worden, kan bijna onbeperkt worden verstrekt.
Vanaf 1 januari kan de hoeveelheid krachtvoer doorgaans worden afgebouwd: de meeste kinderziektes zijn voorbij en met kwalitatief goed ruwvoer zijn energie- en eiwitbehoefte beter te dekken. Een klein aanvullende vitaminebrok kan tekorten aanvullen die niet via ruwvoer worden gedekt.